Graham Greene, een groot verteller

Literatuurcriticus Hans Werkman las De kern van de zaak vijfenveertig jaar geleden al. En in 2012 nog eens. Toen schreef hij er een column over in het Nederlands Dagblad. 

Het was de schuld van Bernlef dat ik me weer ging verdiepen in de romans van Graham Greene (1904-1991). Ik herlas Hersenschimmen van Bernlef en dat hakte er opnieuw in. Over een man van 72 die Alzheimer heeft. Over het verbrokkelen van een leven en van de taal van dit leven. Die snel dementerende man bladert in Onze man in Havanna van Graham Greene, maar hij vat het niet meer. Hij probeert ook De kern van de zaak van Greene, maar hij is de kern van zijn eigen zaken kwijt.

Het kwam dus door Bernlef dat ik Greene’s spionageroman over Havanna, aangekondigd als ‘ontspanning’, uit de bibliotheek haalde. Teleurgesteld bracht ik het boek terug. Veel te wijdlopig. Toen dacht ik: maar De kern van de zaak van Greene moet een veel betere roman zijn. Ik las het meer dan veertig jaar geleden en nog steeds herinner ik me een paar beeldende scènes: hoe een gier bonkend op een zinken dak landt, hoe een drenkeling aanspoelt met een doorweekt postzegelalbum in zijn handen geklemd.

Mijn bieb bezat De kern van de zaak niet. In heel de provincie Utrecht bleek maar één bieb te zijn die een exemplaar in voorraad had. Ik vroeg het aan en had het al na drie dagen in handen. Een stickertje met de letters MAG ontsierde het omslag. Naar het magazijn verbannen, afgekeurd voor geregeld gebruik. Terwijl dit het beroemdste boek is van een van de beste romanschrijvers van de twintigste eeuw!

Wat is Greene toch een groot verteller. Hij bestaat uit verhaal, menselijkheid, feitelijkheid, geest. Greene was katholiek. Het christelijke is in zijn romans meegebakken, organisch. Vooral in zijn eerste periode is het dogmatische van het geloof altijd in gesprek met (beter: in gevecht met) het menselijke ervan. Pater Rank kan op de laatste bladzijde van De kern van de zaak niet geloven dat majoor Scobie verdoemd is, ondanks zijn zelfmoord, want hij had God lief.

Al op de eerste bladzijde verscheen me het beest: ‘Het gegolfde ijzeren dak boven zijn hoofd bonsde en denderde toen er een aasgier op neerstreek.’ De drenkeling had ik verkeerd onthouden, het was een vrouw, en haar postzegelalbum was droog en speelde een veel grotere rol dan ik mij herinnerde. Ik kon het boek moeilijk wegleggen. ’s Nachts sloeg ik het in een slapeloos uur weer open om verder te lezen.

Wat een beeldende beeldspraak van de dagelijksheid bij Greene:
‘Hij stak zijn hand uit en legde hem op de hare. De knokkels lagen onder zijn handpalm als een kleine, gebroken ruggegraat.’
‘Toen ze elkaar zoenden, kon hij haar verdriet tegen zijn mond voelen als het vlugge kloppen van een vogelhart.’

Wat een helderheid van taal bij uiterlijke en innerlijke dingen:
‘Toen hij de voordeur opendeed, liep een rat die aan de ijskast had zitten snuffelen, zonder zich te haasten de trap op.’
‘Scobie vond dat hij zich nooit van zijn leven gelukkiger had gevoeld dan toen: alleen in het donker en in de regen en zonder gevoelens van liefde of medelijden.’
‘Ik heb nooit de gave bezeten om God zo lief te hebben als sommige mensen dat kunnen. Ik wou alleen maar graag wat nuttig werk doen.’

Wat een gevoelig inzicht in mensen en in het menselijk omgaan met God:
‘Op zulke ogenblikken vond hij haar zo lelijk dat hij van haar hield; dan kregen zijn medelijden en verantwoordelijkheidsbesef de hevigheid van een hartstocht.’
‘Er zijn maar weinig dingen in dit leven die we niet zouden vergeven wanneer we precies op de hoogte waren van de feiten.’
‘Ik weet wat de Kerk leert. De Kerk kent al de regels. Maar wat er omgaat in één enkel mensenhart, daar weet de Kerk niets van.’

De kern van de zaak, ik wil het boek over een paar jaar nog eens lezen. Verbazingwekkend, beledigend eigenlijk, dat het niet meer in de handel is. Binnenkort begin ik in Het geschonden geweten, dat gelukkig onlangs herdrukt is, de enige roman van Greene die in Nederland nieuw in de boekwinkel ligt. De eerste zinnen (met weer die aasgieren van het onheil erin) voorspellen een boeiend verhaal:

‘Meneer Tench ging naar buiten om te kijken of zijn cilinder ether er al was, in de blakerende Mexicaanse zon en het stof dat alles wit bepoeierde. Een paar schunnige gieren keken van het dak met onverschilligheid op hem neer: hij was nog geen kreng.’  

Hans Werkman

(Deze column verscheen als Lettergrepen nr. 599 in het Nederlands Dagblad van 15 juni 2012. Overgenomen met toestemming van de auteur.)


Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s